LACHDUIVENDigitale lachduivenboek Het boek De lachduif, een overzicht van herkomst, historie, gedrag, verzorging, fok en vererving is op 17 oktober 2008 als digitaal boek verschenen. Het boek telt 92 pagina's en is geïllustreerd met 130 kleurenfoto's en tekeningen. Een gedrukte versie van het lachduivenboek is niet beschikbaar. U hebt Adobe Acrobat reader nodig om het boek te lezen. Dit programma is gratis te downloaden. Klik hier om het boek De lachduif te lezen. Indeling van dit hoofdstuk: Algemeen / Historie / Kleurslagen / Huisvesting, voeding en voortplanting / Test uw kennis van kleurslagen / Extra literatuur in pdf
De populaire tamme lachduif is geen aparte soort, maar is de gedomesticeerde vorm van de Afrikaanse tortelduif.
De Afrikaanse tortelduif heeft de wetenschappelijke naam Streptopelia roseogrisea. Het geslacht Streptopelia telt 16 soorten, die allemaal voorkomen in de gematigde en tropische delen van Europa, Azië en Afrika. Enkele andere bekende soorten naast de Afrikaanse tortelduif zijn de Zomertortel, de Parelhalsband tortelduif en de Turkse tortel. De verschillende soorten tortelduiven zijn kleine (rond 19 cm) tot middelgrote (34 cm) duiven met een slank postuur. De reden dat de mens vroeger (tamme) duiven hield was vooral voor het vlees en de mest.
Later ging men over op het houden van duiven als hobby en voor de gezelligheid. Hoewel de lachduif al eeuwen werd gehouden was er toch weinig over deze soort bekend. Pas de laatste 50 jaar is men zich meer voor deze duif gaan interesseren. De lachduif is bijvoorbeeld veel gebruikt als laboratoriumvogel voor erfelijkheids- en gedragsonderzoek. Verder bleek de lachduif een willige en betrouwbare (pleeg)ouder te zijn. Hierdoor werd en wordt hij nog veel ingezet als voedsterduif voor andere soorten duiven. Pas nadat er vele nieuwe (kleur)mutaties ontstonden werd de lachduif ook als tentoonstellingsvogel meer gewaardeerd. Dit had tot gevolg dat er nu ook door een grote groep liefhebbers bewust met deze duif wordt gefokt. Voor die tijd was er echter veel verwarring rondom de lachduif en niet op de laatste plaats als
gevolg van zijn vele namen. ![]() Foto: Lachduif (Streptopelia roseogrisea risoria) grijs © N.H. van Wijk In het Nederlandse taalgebruik heeft de lachduif ook al vele namen gehad, vaak streekgebonden en verwezen
naar een (toegekende) eigenschap. Namen op basis van het koeren zijn roepduif, koerduif en
koeroekoe. Ook roosduif, als gevolg van de vermeende preventieve werking van het dier,
werd vooral in Limburg gebruikt. Ook de wetenschappelijke benaming is nogal eens veranderd. Hier zijn verschillende redenen voor. In 1758 publiceerde Linnaeus zijn beroemde werk 'Systema Naturae'. Linnaeus noemde de tamme lachduif Columba risoria. In die tijd werd deze duif veel in Europa gehouden. Zijn herkomst was echter nog steeds onbekend. Gebaseerd op de naam indicus van Aldrovandi vermoedde Linnaeus en ook vele anderen dat de lachduif uit India kwam. De Turkse tortel die op dat moment nog niet in Europa voorkwam, maar wel in India, werd ook Columba risoria genoemd. Men dacht dat de tamme lachduif en de Turkse tortel een en dezelfde soort waren. Het is pas in 1855 dat Blyth, waarschijnlijk als eerste, er van overtuigd is dat de Turkse tortelduif niet de wilde vorm is van de tamme lachduif. ![]() Foto: Lachduif (Streptopelia roseogrisea risoria) wildkleur phaeo-gezoomd © N.H. van Wijk Blyth geeft drie argumenten voor deze stelling: het verschil in koeren, het verschil in formaat en het verschil
in de nekband. Blyth meent dat de nekband van de tamme lachduif meer overeen komt met Afrikaanse soorten tortelduiven.
Hij gaf echter toe dat van de toen bekende Afrikaanse soorten er geen voor in aanmerking kwam,
maar dat het stamvaderschap daar gezocht moet worden.
De argumenten hiervoor zijn dat de staartpentekening van de tamme lachduif en de Afrikaanse tortelduif gelijk zijn,
evenals het koerend geluid. Bovendien zijn zowel de lachduif als de Noord-Afrikaanse tortelduif kleiner dan de Turkse tortel.
Gedomesticeerdere dieren zijn meestal groter dan hun wilde voorvader, dus de Turkse totel kan niet de stamvader zijn van onze
lachduif. Zo blijkt maar weer dat ondanks al deze kennis het toch nog lang heeft geduurd voordat iedereen overtuigd was van de afkomst van onze tamme lachduif. De lachduif komt in een flink aantal kleuren (of kleurslagen) voor. Deze kleurslagen ontstaan als gevolg van mutaties (veranderingen in het
genetisch materiaal) en geven ons mogelijkheden om deze kleurmutaties en combibaties daarvan te bewaren en er verder mee te fokken.
Lange tijd bleef het bij deze twee kleurmutaties. Maar vooral in de laatste 50 jaren kwam daarin snel verandering en er komen nog steeds nieuwe kleurmutaties bij. Overzicht van erkende kleurslagen:
* bont kan met elke kleurslag gecombineerd worden, maar de voorkeur gaat uit naar combinaties met donkere kleuren, zoals wildkleur, wildkleur isabel, pastel en grijs. Naast kleurmutaties zijn er ook twee bevederingsmutaties bekend: zijdevederig en gekuifd.
Beide bevederingsmutaties zijn met elke kleurslag te combineren, waarbij zijdevederigheid en gekuifd ook nog gelijktijdig kunnen voorkomen.
Foto hieronder © H. van Grouw: Lachduif pastel isabel gekuifd.
Huisvesting, voeding en voortplanting De lachduif is een gemakkelijk te houden vogel en voelt zich bijna overal snel thuis, hoewel natuurlijk altijd
geldt: hoe ruimer hoe beter.
Voor een goede huisvesting zijn voldoende licht, frisse lucht en geen tocht een vereiste.
Worden de lachduiven in een volière gehouden, dan moeten we voorkomen dat wind en regen kunnen inslaan.
Een goed nachthok is welhaast een vereiste. De lachduif is een sterke territoriumvogel en dit betekent dat elk stel of koppel een bepaald gebied voor zichzelf opeist en verdedigt. Soortgenoten worden dan niet geduld. De tamme lachduif is wel wat verdraagzamer geworden, maar vooral tijdens de broedperiode komt dit territoriumgedrag weer sterk naar voren. Elke andere duif wordt met geweld geweerd uit hun territorium. Jonde lachduiven, mits niet teveel verschillend in leeftijd, kunnen zonder problemen bij elkaar worden gezet. Zodra echter de dieren geslachtstrijp worden begint hetzelfde verhaal opnieuw. Dan moeten de dieren koppelsgewijze of apart gehuisvest worden. Buiten het voortplantingsseizoen kunnen meerdere duivinnen wel bij elkaar geplaatst worden. Lachduiven zijn niet erg bevattelijk voor ziekten en bij een goede verzorging ontstaan er nauwelijks problemen. Om zieke dieren te herkennen moet men goed weten hoe gezonde lachduiven er uit zien en zich gedragen. Elke afwijking hiervan kan een signaal zijn voor ziekte. Bij twijfel is het verstandig een dierenarts te raadplegen, die gespecialiseerd is in vogels. Lachduiven kunnen wel last hebben van uitwendige parasieten, zoals luizen en mijten. Er zijn middelen beschikbaar om deze parasieten te bestrijden. In goede dierenwinkels zijn uitstekende zaadmengsel (zoals tortelduivenvoer) te koop voor lachduiven. Alles wat ze nodig hebben zit hierin. De dieren moeten dan wel elke dag alles opeten, anders krijgen ze niet alle voedingsstoffen binnen. Dus niet meer voeren dan ze elke dag kunnen opnemen. Enige tijd voordat het broedseizoen begint moet de voeding van de duiven worden aangepast. Het gewone tortelduivenvoer is dan niet meer voldoende voor de dieren. Om vooral te voldoen aan de extra eiwitbehoefte van de duiven is het verstandig parkietenkrachtvoer of duivenkorrels bij te voeren. De lachduiven moeten altijd onbeperkt grit kunnen krijgen. Dit is nodig voor een goede spijsvertering. Goede grit bevat ook gemalen schelpen en dit is belangrijk voor de duif als kalkleverancier. Vooral voor leggende duivinnen is dit onontbeerlijk. Koop voor lachduiven het volière- of vogelgrit, omdat het echte duivengrit is bedoeld voor postduiven en daarom te grof is voor lachduiven. Tot slot is natuurlijk schoon en fris drinkwater nodig. Een drinkflesje heeft de voorkeur omdat in een flesje het water niet snel vervuild raakt.
Van nature is de lachduif een rustige en vertrouwelijke vogel.
We zien de belangstelling voor de lachduif nog steeds toenemen en iedereen die deze duiven bekijkt en leert kennen begrijpt dat.
Als lachduiven als koppel (één mannetje (doffer) en één vrouwtje (duivin)) worden gehouden, gaan zij
zeer makkelijk tot eileggen en
broeden over. Het onderscheiden van doffer en duivin is echter bij de lachduif niet makkelijk en meestal is het gedrag
van de duiven de enige manier
om met zekerheid het geslacht vast te stellen. Als de duiven in voortplantingsconditie komen zoeken zij een geschikte plek voor het nest. Zijn er geen geschikte mogelijkheden
voor een nest, dan worden de eieren gewoon op de grond of in de voerbak gelegd en
bebroed.
Dit is natuurlijk niet de gewenste situatie. Een goede nestgelegenheid is een bakje van 20 bij 20 centimeter met een opstaande rand
van ongeveer 7 centimeter.
En hier het resultaat:
Test uw kennis van kleurslagen bij de lachduif. U heeft hierboven gelezen dat we een groot aantal kleurslagen bij onze lachduif kennen.
Het zijn nogal zachte kleuren en niet zo gemakkelijk te herkennen. Mail uw 'uitslag' naar H.Slijkhuis en u hoort het resultaat van uw kleurslagen-test.
Klik hier als u vragen of opmerkingen heeft. Terug naar de Nederlandse DFKP-club |